Accepteer cookies om deze inhoud in te laden.

Rust en beslotenheid

In de zestiende en zeventiende eeuw bleven ouderen zo lang mogelijk zelfstandig wonen. Het was niet gebruikelijk om bij de kinderen in te wonen en ouderen zochten pas hulp wanneer ze echt hulpbehoevend waren. Het soort hulp dat ouderen dan kregen, was afhankelijk van hun sociale status, de financiële situatie en bestond in allerlei gradaties. Ouderen die genoeg geld hadden, zorgden voor hulp in huis. Anderen werden afhankelijk van ouderenzorg en kwamen terecht in oudemannen- of oudevrouwenhuizen, proveniershuizen of hofjes.

In die tijd namen zowel de kerk, stadsbesturen als particulieren verantwoordelijkheid voor de huisvesting van ouderen en anderen die niet meer in eigen onderhoud konden voorzien. Zij stichtten hofjes: een woonvorm die bestaat uit een binnenplaats met hieromheen kleine gelijkvormige huizen of kamers. In het hofje bevonden zich meestal ook een regentenkamer en andere gemeenschappelijke voorzieningen. Het Karthuizerhofje in de Amsterdamse Jordaan (ca. 1650) is hier een karakteristiek voorbeeld van.

In opdracht van het stadsbestuur had stadsbouwmeester Daniël Stalpaert een ontwerp gemaakt voor circa 100 weduwen, eventueel met kinderen en al dan niet op leeftijd, en ongehuwde vrouwen. Behalve een woning, ontvingen de bewoonsters brandstof, brood, kaas en wat zakgeld. Het ontwerp bestaat uit vier bakstenen vleugels opgetrokken rondom een binnenplein. De architectuur, met klassieke architectuurelementen zoals frontons en het wapen van Amsterdam, ademt zowel rust en regelmaat als representativiteit uit. Het stadsbestuur creerde hier een beschermde woonvoorziening voor vrouwen, ook de ouderen, die niet meer in hun eigen levensonderhoud konden voorzien.