Accepteer cookies om deze inhoud in te laden.

Lange tijd is de opvatting gangbaar geweest dat je ouderen in geïsoleerde groepen kunt indelen en voor elke groep de perfecte huisvesting kunt ontwerpen en bouwen. Iedere verschuiving in leeftijd en verandering in gezondheid leidt dan steeds tot een verhuizing naar een andere passende woning of woonomgeving. Zo is het lange tijd gebruikelijk dat iemand eerst in een aanleunwoning woont, vervolgens bij fysieke of mentale beperkingen verhuist naar het ernaast gelegen bejaardenhuis en de laatste jaren doorbrengt in het verpleeghuis van het bejaardencomplex. Dit categoriaal indelen van ouderen gaat uit van een perfecte analogie tussen type oudere en huisvesting.

Ook is lange tijd de opvatting dominant dat ouderen zorg behoeven en geen bijdrage meer leveren aan de samenleving. Alleen het jonge, gezonde deel van de bevolking is productief, zorgt voor ouderen en bedenkt wat goed voor hen is. Deze visie op ouderdom wordt in de geschiedenis van de ouderenhuisvesting slechts incidenteel onderbroken om plaats te maken voor alternatieven, die uitgaan van flexibiliteit en wederkerige relaties tussen ouderen en jongeren. Illustratief voor deze visie op ouderdom is de publicatie ‘De stad der toekomst, de toekomst der stad’ van A. Bos uit 1946. Deze ideologische onderbouwing van de Wijkgedachte kent aan ouderen een actieve rol toe in de wijk. Ouderen kunnen door hun aanwezigheid en levenservaring rust bieden, conflicten relativeren en spanningen tussen ouders en kinderen verlagen. Deze rol veronderstelt dat ouderen tot op hoge leeftijd in de wijk kunnen blijven wonen, zij het in een speciaal voor ouderen ontworpen woning en omringd door voorzieningen en ondersteuning.

Door de introductie van de participatiesamenleving krijgt dit model weer relevantie voor hedendaagse ontwerpers. Een zeer recent voorbeeld is de ‘Collectieve Open Leefomgeving’, een ontwerp voor een woonwijk die bestaat uit tachtig procent vitale bewoners en twintig procent kwetsbare mensen, waaronder ouderen met dementie. In deze gemeenschap ondersteunt een optimale samenwerking tussen officiële instellingen en informele netwerken deze vorm van samenleven.