Dit woningtype is een gevolg van de inwerkingtreding van de Woningwet (1901) en van de  Invaliditeits- en Ouderdomswet (1913/1919) waardoor ouderen vanaf zeventig jaar voor het eerst een klein pensioen ontvangen. Ook minder draagkrachtige ouderen kunnen daardoor zelfstandig blijven wonen.

Deze zelfstandige bejaardenwoningen, die binnen de woningwet en met subsidie zijn gebouwd, bestaan uit woningen voor alleenwonenden en voor echtparen. Ze zijn ontworpen als rijtjeshuizen met een tuintje. Ze zijn betrekkelijk klein, eenvoudig en gelijkvloers en gebouwd tussen de normale woningbouw. Tussen 1930 en 1955 geeft de overheid de voorkeur aan zelfstandige bejaardenwoningen in de wijk boven de geïsoleerde huisvesting in grote groepen, omdat zo het contact met jongere generaties op natuurlijke wijze blijft bestaan. Ouderen wonen geheel zelfstandig, omgeven door een ambulant netwerk dat bestaat uit winkeliers die nog aan huis komen en het reguliere huisbezoek van de huisarts, dat in die jaren nog gebruikelijk is.

Een specifieke variant van de zelfstandige bejaardenwoning, is de woning waarin meerdere generaties bij elkaar wonen onder één dak. Dit samenlevingsmodel is eigenlijk de oudste vorm van ouderenhuisvesting maar komt vanaf 1850 door verstedelijking en individualisering steeds minder voor. Pas vanaf 1940 komt dit type woning in bescheiden omvang weer op de tekentafel. Er komen eengezinswoningen met een zit-slaapkamer voor een inwonende oudere vader of moeder en er verschijnen zelfstandige bejaardenwoningen met een zit-slaapkamer voor de verzorging door een inwonend familielid. Enerzijds zijn deze woningen een instrument in het lenigen van de woningnood en anderzijds zijn ze een middel om ouderen zo lang mogelijk zelfstandig te laten wonen. Het inwonen verdwijnt vanaf de jaren zestig, met het ontstaan van de naoorlogse en maatschappelijke consensus dat ouderen niet meer afhankelijk hoeven te zijn van vrienden en familie, maar zelfstandig kunnen wonen in een bejaardenhuis met professionele hulp. De recente en geleidelijke introductie van de participatiesamenleving zorgt voor een herbezinning op het inwonende model. Voorbeelden zijn het pleidooi voor de ‘Driegeneratiehuizen’ en de ‘Kangoeroewoning’. In deze woningen wonen meerdere generaties zelfstandig maar wel in elkaars nabijheid. Door gedeelde huishoudens hebben beiden partijen een economisch belang en kunnen ze gebruiken maken van elkaars diensten zoals mantelzorg, kinderoppas en het behouden van sociale contacten.