Een aparte groep binnen de ouderenhuisvesting vormen de verpleeghuizen. In de achttiende en negentiende eeuw werden ze gestichten of gasthuizen genoemd en boden ze onderdak aan chronisch zieken, waaronder ouderen. Kenmerkend voor verpleeghuizen zijn lange gangen met aan weerszijden gemeenschappelijke slaapkamers, en ruimtes voor sanitair, keukens, eetzalen en soms inwonend personeel. In de tweede helft van de twintigste eeuw, ontwikkelt zich uit het gasthuis een nieuw type, het ziekenhuis dat vanwege de medische voorzieningen wel gericht is op tijdelijk verblijf en terugkeer naar huis na genezing.

Het ziekenhuis kopieert het gangenstelsel van de eerdere gestichten en ontwikkelt dit tot het corridorsysteem met meer aandacht voor hygiƫne. In de twintigste eeuw zijn er veel verpleeghuizen gebouwd, vaak als afdeling van een bejaardenhuis. Qua opzet (het corridorsysteem), sfeer en regelgeving komen ze overeen met de ziekenhuizen. Tot ver na de tweede wereldoorlog verblijven de bewoners in gemeenschappelijk slaapzalen en brengen ze overdag hun tijd door in een gemeenschappelijke recreatiezaal. Bejaardenhuis en verpleeghuis zijn vaak met elkaar verbonden via een centrale hal of een binnentuin. Soms is er een revalidatieafdeling en zijn er beperkte behandelruimtes. Vandaag de dag is de medische indicatiestelling strenger geworden. Alleen wie echt niet meer zelfstandig kan wonen, krijgt een plaats in een verpleeghuis. Dit betekent dat de groep met een medische indicatie steeds kleiner wordt en steeds grotere gebreken en beperkingen heeft. Dit leidt er toe dat er recentelijk en in de toekomst vooral verpleeghuizen worden gebouwd voor bewoners met zware lichamelijke en psychische beperkingen. Voor de architectonische opgave betekent dit een precaire balans tussen het scheppen van een woonsfeer en het bieden van optimale zorg, waardoor de vormgeving van het interieur steeds belangrijker wordt.